"Is de advocatuur een deel van de rechterlijke orde?"

Behoren de advocaten, de Ordes van advocaten en de Orde van Vlaamse balies tot de rechterlijke orde? Die vraag, die naar het wezen van de advocatuur grijpt, stellen wij ons niet elke dag. Misschien is dat omdat wij, in de wervelwind van onze beslommeringen, geen reden en nog minder tijd vinden om ons in te laten met wezenskenmerken. Of het nu om de essentie van onze beroepsgroep gaat, of van iets anders, speelt daarbij slechts een ondergeschikte rol.

De Orde van advocaten is dan ook geen contemplatieve orde. Het is er een van de praxis van elke dag, elk moment. Heel soms is de vraag naar het Zijn ook een praktische vraag, zoals ik hier zal proberen te illustreren.

Over de coronaregelgeving van de regering is al veel gezegd. Teveel, zult u zeggen. Of net te weinig. Wat er bijvoorbeeld naar de modeste inschatting van uw dienaar waarschijnlijk nog niet over gezegd is, is dat zij ons de kans biedt om te polsen naar de essentie van de advocatuur en tegelijk om een accident bij de toepassing van die maatregelen op te lossen. Ik vat ‘accident’ natuurlijk in de aristotelische zin op, en niet in de zin van het verkeersrecht: het accident als tegengestelde van de essentie.

Het koninklijk besluit van 27 november 2021 “houdende wijziging van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken” introduceert een ontheffing van de registratieplicht in het voordeel van, onder meer, de rechterlijke orde. Die plicht gebiedt werkgevers om maandelijks, via het registratiesysteem van de RSZ, aangifte te doen van het totale aantal personen dat in elke vestiging werkzaam is en het aantal personen dat een functie uitoefent die onmogelijk kan worden volbracht via telethuiswerk.

De rechterlijke orde hoeft de namen van die personen dus niet te registreren.

Om die ontheffing te vinden moet u enigszins bedreven zijn in de coronapadvinderij. Het volstaat niet om het geciteerde KB van 27 november erbij te nemen. Dat KB moet u immers samen lezen met het oorspronkelijke KB van 28 oktober 2021 en met het wijzigende KB van 19 november 2021. Zulke spoorzoekerij is inmiddels naar slechte gewoonte ingeburgerd bij al wie zich wil verdiepen in de coronaregels, en ook hier is er geen ontkomen aan.

Maar valt de advocatuur onder de noemer van de rechterlijke orde?

De wettelijke regels over het beroep van advocaat zijn te vinden in Boek III van het Tweede Deel van het Gerechtelijk Wetboek, dat de titel draagt “Rechterlijke organisatie”. Dat is, anders uitgedrukt, de rechterlijke orde. Wij zouden het hier kunnen bij houden: de advocatuur is deel van de rechterlijke orde.

De literatuur treedt unisono die visie bij. BRAUN en MOREAU schreven in 1985 al dat de Orde “une institution de droit public relevant de l’ordre judiciaire” is (La profession d’avocat, 1985, 188). LAMBERT is even duidelijk: “L’appartenance de l’Ordre des avocats à l’ordre judiciaire est proclamée et consacrée. (…) Du même coup, il n’est plus possible d’assimiler les organes de l’Ordre à des autorités administratives du ressort du gouvernement.” (Règles et usages, 1994, 137)

STEVENS bevestigt dat: “[Dwerking van de advocatuur] wordt gerekend tot deze van het juridisch apparaat en niet als behorend tot de uitvoerende macht (wat de bevoegdheid van de Raad van State en de uitvoerende macht uitsluit). Hoewel behorend tot rechterlijke orde, wat haar onafhankelijkheid van de uitvoerende macht garandeert, is de advocatuur daaraan geenszins ondergeschikt.” (Advocatuur, 2015, 13-14)

Dissonante visies tref ik niet aan. Zonder de pretentie te hebben u van juridisch advies te willen dienen, laat staan u een handelswijze aan te praten, is mijn standpunt dan ook dat de advocatenkantoren, de Ordes van advocaten en de OVB vrijgesteld zijn van het registreren van medewerkers die niet aan thuiswerk (kunnen) doen.

Het mooie aan de coronamaatregelen is dat zij ons de gelegenheid bieden om te reflecteren over de essentie van ons beroep en toch een praktische en, naar het mij voorkomt, overtuigende oplossing te bedenken voor een accident. Veel ander moois heb ik in die maatregelen helaas niet aangetroffen, maar ook dat laat ik verder aan uw eigen smaak over.

Met genegen groeten,

Peter Callens
Voorzitter Orde van Vlaamse Balies