"Recht is niet gelijk aan wat wij er zelf van vinden"

De eerste column van uw dienaar in dit nieuwe jaar laat ik niet voorbijgaan zonder u een voorspoedig, succesvol en gezond 2022 toe te wensen. Aan voorspellingen waag ik mij niet. In tegenstelling tot sommige anderen, in wier rangen ik vooral ongeluksprofeten bespeur, acht ik mijzelf voor die bezigheid niet bevoegd. Maar u zeer welgemeend, mede namens het bestuur en de hele staf van de OVB, het allerbeste toewensen voor dit jaar, doe ik met des te meer enthousiasme. Daaraan koppel ik mijn grote dank aan al diegenen die in het voorbije jaar de moeite namen om deze rubriek te lezen en mijn erkentelijkheid voor de sympathieke reacties.

In de afgelopen weken beroerde de bitsige polarisering in de publieke opinie rond de vonnissen in een paar mediagevoelige strafprocedures de gemoederen. Een ongezien talrijke menigte commentatoren, al dan niet gezegend met competentie in het vakgebied, meende te moeten kond doen, aan wie het wilde horen of lezen, dat de rechters zeer terecht of net zeer onterecht geoordeeld hadden. De agressiviteit van de reacties was vaak omgekeerd evenredig aan het kennisniveau van de auteurs. Sommige onder een pseudoniem opererende opiniespuiers dachten alle remmen te mogen losgooien.

Het is nochtans tamelijk simpel. Als de wet op grond waarvan de rechter uitspraak deed, niet voldoet, dan moet zij aangepast worden. Tenzij er een hogere norm is die de wet terzijde schuift, bijvoorbeeld als dat blijkt na een procedure voor het Grondwettelijk Hof. Maar ook dan is de kans reëel dat de wet vervanging behoeft, door een wet die wel conform is aan de hogere norm.

Als de wet blijft wat zij is, dan moet de rechter die de zaak beoordeelt, die wet toepassen. De partij die vindt dat de rechter de wet niet behoorlijk heeft toegepast en hoopt op een beter resultaat bij een hogere rechtsmacht, gaat in beroep. De rechtsmiddelen zijn beperkt, en op een gegeven moment houdt het op. De finale uitspraak is het eindpunt. Zo werkt ons rechtssysteem – en niet alleen het onze.

Recht is dus niet gelijk aan wat wij er zelf van vinden. Het is de uitkomst van een heel proces, in alle betekenissen van het woord. Eigenlijk is het vreemd dat hieraan herinnerd moet worden.

Omdat wij hier te lande niet het alleenrecht hebben op controversiële vonnissen over pakweg de vrije meningsuiting of de rechtstaat, stel ik u een juridische trip naar Engeland voor. Op 5 januari 2022 sprak een rechtbank in Bristol de zogenaamde ‘Colston 4’ vrij van de beschuldiging andermans eigendom beschadigd te hebben. De vier hadden namelijk op 7 juni 2020 het standbeeld van Edward Colston neergehaald en in een nabijgelegen havendok gedumpt. De feiten deden zich voor op een ‘black lives matter’-manifestatie en Colston was een notoire slavendrijver, vandaar de hetze rond het standbeeld. Misschien herinnert u zich de beelden.

De vier beschuldigden erkenden meteen hun betrokkenheid bij de feiten. Zij betwistten echter de strafrechtelijk kwalificatie. Zo argumenteerden zij, ik parafraseer zonder volledigheid na te streven, dat zij niet op onwettige gronden het standbeeld hadden neergehaald. Het was in feite de stad Bristol die een misdrijf gepleegd had door zo’n aanstootgevend standbeeld in het straatbeeld neer te poten. De vier hielden ook voor dat het beeld niet beschadigd was, want de stadsdiensten visten het op uit het dok en stelden het tentoon in een museum. Door de feiten is het beeld zelfs in waarde gestegen, beweerden zij.

Het belangrijkste argument van de Colston 4 was allicht dat zij niets anders deden dan gebruik maken van hun recht op vrije meningsuiting, niet mondeling, maar door middel van een fysieke handeling.

De jury volgde de Colston 4: er was volgens het oordeel van de jury geen sprake van een strafrechtelijke inbreuk. Dus moest de vrijspraak volgen.

Ophef alom. Een parlementslid riep uit dat de rule of law, die de basis vormt voor de democratie, ondermijnd werd als vandalisme aanvaard werd als een vorm van politiek protest. Een andere politicus vond dat er een gevaarlijk precedent gecreëerd was.

Tegen die kritiek kwam er hevige tegenwind vanuit de advocatuur: niemand hoeft het eens te zijn met de jury, maar de rule of law is toegepast en zeker niet overtreden. Er heeft namelijk een volledig debat plaatsgevonden met woord en wederwoord, en alle bewijzen voor en tegen lagen op tafel. De jury heeft uitspraak gedaan binnen de grenzen van wat een jury rechtens kon doen. Dat is wat de rule of law vereist, niets meer en niets minder. Een precedent is er ook niet geschapen, want naar Engels recht heeft een vrijspraak door een jury geen juridische precedentwaarde.

Over naar een andere ruchtbare zaak, die van de toegang tot het Australische grondgebied voor de tenniskampioen Novak Đoković, beter bekend als Djokovic. Ook daar vlogen de reacties van het publiek alle richtingen uit. Maar wat is er van aan?

Een immigratieambtenaar besliste op 6 januari 2022 het tijdelijke visum van Djokovic in te trekken, op grond van vermeende onregelmatigheden m.b.t. zijn covid-19-status. De tennisspeler trok naar de rechtbank in Melbourne, die bij vonnis van 10 januari 2022 prompt de visumintrekking vernietigde.

Vond de rechter dat Djokovic wél in orde was met de lokale vereisten inzake vaccinatie? Geenszins. Hij beoordeelde de intrekking van het visum als onredelijk. En hij deed dat omwille van de omstandigheden waarin die beslissing genomen is. Volgt u even mee. Op 6 januari om 5.20u kreeg de tennisspeler te horen dat hij tijd kreeg tot 8.30u om een antwoord te formuleren op de voorgenomen intrekking van zijn visum. In plaats van te wachten tot het afgesproken tijdstip, eiste de immigratieambtenaar het antwoord al om 6.14u. Om 7.42u nam hij de beslissing tot intrekking van het visum. De rechter oordeelt dat, als Djokovic, zoals hem beloofd was, tijd had gekregen tot 8.30u, hij anderen had kunnen consulteren en andere argumenten had kunnen aanbrengen. Daarom vernietigt hij de intrekking van het visum. Ook hier is de levende rule of law aan het werk.

Voor die principes strijden wij, advocaten, ook hier in eigen land. Ook – en meestal – in zaken die de media niet halen. Ongeacht wat de meute roept.

Met genegen groeten,
 

Peter Callens
Voorzitter Orde van Vlaamse Balies