"De huidige toestand in het Brusselse hof van beroep is een schandaal"

Is werken aan het efficiënter maken van justitie trekken aan een dood paard? Die weemoedige gedachte bekruipt mij soms. Misschien heeft dit nu te maken met de nabijheid van Allerzielen.

Ruim twintig jaar geleden kwam een raadsheer (en latere eerste voorzitter) van het Brusselse hof van beroep, met behulp van veel slides en cijfers, op een vergadering van de raad van de Orde uitleggen dat hij een methode gevonden had om de vaststellingen voor pleidooien een pak vlotter te laten verlopen. De partijen zouden geen pleitdatum meer krijgen, hun zaak zou op een wachtlijst terechtkomen tot wanneer alle conclusies neergelegd zijn. Pas daarna zou de pleitdatum bepaald worden. Maar de gewijzigde aanpak zou op termijn de achterstand wegwerken, daarvan was de raadsheer met de zekerheid van de wiskundige overtuigd.

Het als onvermijdelijk voorgestelde nadeel was wel dat de backlog aan niet-gepleite zaken onderaan de stapel zou terechtkomen.

In de wandelgangen had men het over ‘les affaires sacrifiées’. De partijen zouden voor die zaken de ondraaglijk lange termijn van vier of vijf jaar geduld moeten uitoefenen alvorens zij een pleitdatum zouden krijgen.

Maar dat was een generatie geleden. Vorige week ontstond er beroering omdat hetzelfde Brusselse hof van beroep een nieuw recorddieptepunt bereikt had: de krant l’Echo berichtte dat een fiscale zaak gepleit zou worden in… 2033.

Ongeveer toen het Brusselse hof zijn nieuwe aanpak voorstelde, hoorde ik een toespraak van een schitterende Afro-Amerikaanse rechter, die zich met een hese stem bediende van een sappig, bevlogen Engels – een soort Louis Armstrong die rechter geworden was. Hij had het over de principes van correcte rechtsbedeling. Zijn naam ben ik jammer genoeg kwijt, maar één van zijn uitspraken noteerde ik: “A place where people wait for years before they hear the judgment in their case is something. It is something. I don’t know exactly what it is, but it surely ain’t a court.

Dat artikel 6.1 van het EVRM als principe stelt dat elkeen recht heeft op behandeling van zijn zaak ‘binnen een redelijke termijn’ lijkt in het Brusselse hof wel een stijlclausule te zijn geworden.

Akkoord, achterstand in de rechtbanken is van alle tijden, en klachten over de kosten van procedures ook. Allicht omdat het ene vaak gepaard gaat met het andere. Een vertegenwoordiger van de ‘derde stand’ in de Staten-Generaal die koning Lodewijk XVI bijeenriep, amper twee maanden voor het uitbreken van de Franse revolutie, eiste dat er ‘bovenal een beperking zou gesteld worden op de duur van processen en op de kosten die zij teweegbrengen.’

Ik betwijfel of er voor de partijen in procedures voor het Brusselse hof van beroep enige troost te vinden is een verhaal dat ik opmerkte in Wolfram Siemanns biografie van Metternich. U weet wel, de sleutelfiguur van het Congres van Wenen na de val van Napoleon. Ik waag het er toch even op. Metternichs familie raakte in het begin van de 15de eeuw betrokken in een rechtsgeding rond een erfeniskwestie over een viertal domeinen, grotendeels in de (toen nog niet) Belgische Oostkantons. Het proces bleef maar duren en Metternich erfde het geding van zijn vader. Omdat na zo lange tijd niemand nog begreep wat er gaande was, liet Metternich de geschiedenis van het geschil uitschrijven door baron von Gärtner, de toenmalige voorzitter van de Oberste Justizstelle, het hoogste gerechtshof in Wenen. Het geschil is finaal beslecht met een arrest van de Keizerlijke rechtbank in Leipzig in 1884, 25 jaar na de dood van Metternich en ca. 450 jaar na het ontstaan van het geschil.

Wij hoeven ons echter niet te wentelen in historische anekdotiek om te begrijpen dat de huidige toestand in Brussel een schandaal is.

De Hoge Raad voor de Justitie is bezig met een audit van het Brusselse hof van beroep. De verwachtingen zijn hooggespannen. Het penibele aan die kwestie is dat de HRJ in 2008 al een audit uitgevoerd heeft, met updates in 2009 en in 2015. De HRJ stelde in 2009 vast dat “het hof zeer weinig initiatieven had genomen om op een doorzichtige, gestructureerde en planmatige wijze over te gaan tot het daadwerkelijk evalueren en implementeren van de aanbevelingen van het auditverslag van 2008.” In 2015 besloot de HRJ dat er verbetering merkbaar was maar “dat de verschillende acties die het hof ondernomen heeft, gehandhaafd moeten worden. Ze laten toe om deels te beantwoorden aan de aanbevelingen in het auditverslag. Het hof moet wel absoluut een stelselmatige opvolging van de ondernomen acties invoeren (aanstellen verantwoordelijke, opstellen planning en timing, opvolging resultaten), opdat de voortgang van de gevoerde werkzaamheden concreet wordt opgevolgd, de relevantie ervan wordt getoetst en eventueel passende acties worden ondernomen.”

Wij zijn voorzichtig benieuwd naar wat de audit anno 2021 zal opleveren. Wat er ook van zij, een kentering MOET er komen. De balie zal zich niet onbetuigd laten. Werken aan het efficiënter maken van justitie is broodnodig, het paard leeft.

Met genegen groeten,

Peter Callens
Voorzitter Orde van Vlaamse Balies