"Een slappe koord tussen vrije meningsuiting en verboden haatboodschap"

Het kan u niet ontgaan zijn. De vrijheid van meningsuiting stond centraal op het politieke schouwtoneel van de afgelopen weken. De premier zei in de Kamer dat haatspraak geen mening is. Hij bedoelde dat, volgens hem, haatberichten vervolgd – en bestraft – moeten kunnen worden. Velen dachten, ten onrechte, dat het debat ging over het al dan niet strafbaar stellen van haatboodschappen en over het lot van de vrije meningsuiting in die context. Maar dat beeld doet de waarheid geweld aan.

Het aanzetten tot haat op grond van “nationaliteit, een zogenaamd ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming” is namelijk al dertig jaar geleden strafbaar gesteld, in de wet van 30 juli 1981. Het aanzetten tot haat op grond van leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, een fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst, is ook al strafbaar, namelijk sinds de wet van 10 mei 2007. En een andere wet van dezelfde datum bestraft wie zich schuldig maakt aan het aanzetten tot haat  wegens zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, moederschap, adoptie, medisch begeleide voortplanting, geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, sekse-kenmerken, of vader- of meemoederschap.

Wat in de discussie wel aan de orde is, is de vraag of de grondwet een onderscheid moet maken naargelang de haatboodschap schriftelijk geuit wordt, dan wel via andere (audiovisuele) media. En of  het wettelijk onderscheid gehandhaafd moet worden tussen haatboodschappen die ingegeven zijn door racisme of xenofobie en deze met andere beweegredenen. Die onderscheiden behandeling leidt ertoe dat, als er sprake is van een drukpersmisdrijf, de zaak voor het hof van assisen komt. Als dat niet geval is, gaat de zaak naar de correctionele rechtbank. En als er sprake is van een haatboodschap met racistische of xenofobische inslag, dan is de correctionele rechtbank steeds bevoegd.

De anomalie spat van het doek.

Wat hier het probleem is, is dat de vervolging van drukpersmisdrijven voor het hof van assisen dode letter blijft. De haatmisdrijven die naar assisen moeten, blijven de facto grotendeels straffeloos. Door ze te laten verhuizen naar de correctionele rechtbank, zullen ze wel vatbaar worden voor vervolging en bestraffing – vandaar de commotie. Vandaar ook de – juridisch foutieve, maar feitelijk juiste  – indruk dat haatmisdrijven ineens strafbaar worden, ook als het niet gaat om racistische of xenofobische boodschappen.

Wetten die dode letter blijven, bijvoorbeeld omwille van de procedureregels, storen niet. Een ommekeer daarin stompt iedereen met de neus op een weggedachte realiteit. Zeker als uitgerekend in dezelfde periode enkele spandoeken dragende, niet in nuances grossierende lastposten gevangenisstraffen opgelegd krijgen, op grond van de overweging dat zij beoogden “angst te zaaien en haat te scheppen in de samenleving” door de toekijkers te overtuigen van het denkbeeld dat in de toekomst mogelijk de door hen bestreden religie Vlaanderen zal overheersen.

Dit vonnis illustreert op welke slappe koord de rechter danst bij het afbakenen van de grens tussen vrije meningsuiting en verboden haatboodschap. Het kan niet verbazen dat er in brede kring ongerustheid ontstaat bij die gedachte. Behoren extreme, platvloerse, respectloze of domme meningsuitingen tot het domein van de wetten van de wellevendheid? Of van die van de moraal? Of gaat het om strafrechtelijk beteugelde misdrijven, en zo ja, vanaf wanneer is die grens overschreden?

Vrije meningsuiting is er niet zozeer voor wie mainstream-ideeën bevestigt, maar vooral voor wie ze tegenspreekt. Ook als dat gebeurt op een smakeloze, lapidaire of kwetsende wijze. De dwarsligger stoort en weet dat hij stoort. Hij weet ook dat anderen hem als haatdragend kunnen aanzien en dat hij hen beangstigt, omdat hij hun evidenties afbreekt. En, als hij adepten rond zich verzamelt, bestaat de kans dat die anderen gaan stellen dat hij dat alleen heeft kunnen doen omdat hij aanzette tot haat.

Wat doen wij anno 2021 met een nieuwe Voltaire, die in zijn “écrasons l’infâme” oproept tot verplettering van alle bijgeloof, een begrip dat de Franse wijsgeer zeer breed opvatte? Hem dagvaarden voor de correctionele rechtbank, wegens het aanzetten tot haat tegenover zovelen die datzelfde bijgeloof aanhangen? Of wat vangen wij aan met een nieuwe Friedrich Nietzsche, die in zijn “wet tegen het christendom” uit 1888 stelt dat alle priesters in de gevangenis horen en dat elke deelname aan een eredienst een inbreuk is op de openbare zeden (de rest van de zeven gepeperde artikelen van de Nietzscheaanse wet vermeld ik liever niet)? Doet de filosoof met de hamer aan haatspraak? Of vinden beide filosofen hun redding in het prestige van hun naamsbekendheid – die Nietzsche bij leven niet eens had – in tegenstelling tot sukkels die teveel boertigheid tentoon spreiden bij het uitbazuinen van hun mening?

Tegenspraak is het DNA van ons beroep. Maar ook in een open maatschappij zijn tegenspraak en de daaraan gekoppelde vrijheid van meningsuiting onontbeerlijk. Dat er aan die vrijheid grenzen zijn, staat niet ter discussie. Maar dat wij niet mogen afdingen op het beginsel van de vrije meningsuiting is essentieel, nu meer dan ooit. Wetten die als anti-populistisch bedoeld zijn, kunnen in hun principe of in hun toepassing het bedje spreiden van het populisme.

Met genegen groeten,

Peter Callens

Voorzitter Orde van Vlaamse Balies