Excessen tegen advocatuur gaan vaak samen met gebrek aan onafhankelijkheid advocatenorganisaties

De annunciatie van een nieuw verdrag en een requiem voor een aflijvige maar abstracte familievader: hier volgt een contrastvolle illustratie van de evolutie van ons recht langs lijnen van geleidelijkheid.

“De problemen waartegen het beroep van advocaat aankijkt, zowel individueel als institutioneel, zijn aanzienlijk en zij lijken groter te worden.” Zo concludeert het rapport dat Jeremy McBride deze maand overhandigd heeft aan zijn opdrachtgever, de Raad van Europa, onder de titel Profession of Lawyer: Study on the Feasibility of a New European Legal Instrument. Hij doet een oproep voor een nieuw Europees verdrag over het beroep van advocaat.

McBride wordt voorgesteld als consultant, maar dat reducerende predicaat doet de man tekort. Na een academische carrière is hij, als specialist mensenrechten en internationaal recht, al geruime tijd barrister in London.

McBride stelt vast, op basis van meldingen van onder meer de International Commission of Jurists, het Hoog Commissariaat voor de Mensenrechten van de VN en rechtspraak van het EHRM, dat advocaten bedreigd zijn. Daarom is, ook voor de 47 lidstaten van de Raad van Europa, een nieuw verdrag wenselijk.

Exotische gebieden zoals Hong Kong, waar de machthebbers vorige week onder bedenkelijke voorwendsels onze confraters Martin Lee QC en Margaret Ng arresteerden, hebben helaas niet het trieste monopolie op onderdrukking van advocaten. Ik had het voorrecht Margaret Ng te ontmoeten in 2019 toen het Human Rights Institute van de International Bar Association haar lauwerde. Zij was het die mij de lectuur aanbeval van Tom Binghams The Rule of Law waarover ik u enkele weken geleden schreef. Een zeer indrukwekkende dame. Voor haar en Martin Lee QC druk ik hier mijn volste sympathie en steun uit en protesteer ik tegen het lot dat hen te beurt valt.

De problemen zijn ernstig, ook in ons werelddeel. Er is sprake van belaging en bedreiging van advocaten, zelfs fysieke aanvallen, het verhinderen van besprekingen met cliënten, huiszoekingen zonder bescherming voor het beroepsgeheim of zonder dat de advocaat zelf verdacht wordt van een misdrijf. Elders worden advocaten geïntimideerd of gedwongen om te getuigen tegen cliënten. Tuchtrecht of andere procedures krijgen een nieuwe invulling als drukmiddelen tegen vervelende advocaten. Het is slechts een greep uit de voorbeelden.

Niet zelden, stelt McBride, gaan die excessen samen met een gebrek aan onafhankelijkheid van de advocatenorganisaties. Die onafhankelijkheid is de sokkel waarop ons beroep kan bestaan.

De auteur besluit dat er bijkomende, afdwingbare regels moeten komen in een verdrag. Meestal gaat het dan over zaken die in onze rechtsorde evident klinken maar toch beter verdragsrechtelijke bevestiging krijgen, zoals de immuniteit van het pleidooi en de vrije meningsuiting voor advocaten.

Maar het betreft ook nieuwe ontwikkelingen, zoals een recht voor de advocaat om zijn cliënten te kiezen, als ‘pendant’ voor de vrijheid van de cliënt om zijn advocaat te kiezen, een plicht voor rechters en anderen tot eerbied voor de advocaat, of een verbod op het identificeren van de advocaat met zijn cliënt of met de zaak waarin die cliënt betrokken is.

Echt zorgelijk wordt het wanneer McBride aanstuurt op verdragsrechtelijke bescherming van een recht om vertrouwelijk te vergaderen en te communiceren met cliënten, een recht om op goede gronden bezwaar te maken tegen de houding van een rechter, het vastleggen van voorwaarden voor het uitvoeren van huiszoekingen bij advocaten en andere beginselen die voor ons tot het ABC behoren van wat een advocaat is, doet en betekent in het rechtsbestel.

Dat het nodig is die verworvenheden uitdrukkelijk vast te leggen in een verdragstekst doet de wenkbrauwen fronsen. Maar eens die noodzaak is uitgesproken, kan het niet snel genoeg gaan en moeten wij hopen dat de Raad van Europa ernaar handelt.

Tegen die bedreigingen voor de grondvesten van ons beroep verbleekt de nostalgie over het schielijke overlijden van de goede huisvader uit artikel 1137 van het Burgerlijk Wetboek. Andere landen met een even Napoleontische traditie als de onze hadden dat – letterlijk – antieke, viriele criterium van de bonus pater familias jaren geleden achter zich gelaten. Bij ons is er in extremis een opwelling van nostalgici die menen dat de goede huisvader, dat bedenksel van poëtische vrijheid dat slechts weinigen in levenden lijve ontmoet hebben, toch iets anders is dan zijn opvolger, de prozaïsche “voorzichtige en redelijke persoon”.

De nieuwe benaming, die juridisch oude wijn in niet eens nieuwe zakken is, sluit aan bij wat in het common law gangbaar is: de goede huisvader is daar al in het begin van de 19de eeuw de “man of ordinary prudence” geworden, in het precedent met de mooie naam Vaughan v Menlove uit 1837. Die evolueerde tot de “prudent and reasonable man” in Blyth v The Birmingham Waterworks Co uit 1856, en dat is nu onze voorzichtige en redelijke persoon geworden.

In Hall v Brooklands Auto-Racing Club uit 1933 vraagt Lord Greer zich zeer British af wie die alomtegenwoordige, mythische redelijke man eigenlijk is. Hij noemt hem “the man on the Clapham omnibus” en "the man who takes the magazines home, and in the evening pushes the lawnmower in his shirt sleeves." Welke soort magazines de grasmaaiende, met opgerolde hemdsmouwen meebracht naar huis, wordt niet nader gepreciseerd…

Requiem dus voor de bonus pater familias en welkom aan de persoon op de stoptrein uit Denderleeuw, of welke andere dichterlijke invulling rechters aan zijn nuchtere opvolg(st)er zullen willen geven.

Met genegen groeten,

Peter Callens
Voorzitter Orde van Vlaamse Balies