"Justitie splitsen kan, maar wordt zij daardoor menselijker, sneller en straffer?”

Justitie moet menselijker, sneller en straffer. Dat is de wapenkreet waarmee de bevoegde federale minister ten strijde trekt tegen de nogal welig tierende kanten van justitie die niet aan die drievuldigheidsnorm voldoen.
 
De dadendrang van het team justitie mag dan doorspekt zijn met jeugdig enthousiasme, er zijn in het met wolfijzers en schietgeweren gevulde politieke landschap anderen die de nodige hervormingen van justitie liever niet op het federale echelon zien plaatsvinden.
 
In de komende weken zal de Werkgroep Institutionele Zaken van het Vlaams Parlement, onder het voorzitterschap van parlementsvoorzitster Liesbeth Homans, zich buigen over ‘Veiligheid en Justitie’. De bedoeling bestaat erin ‘concrete voorstellen uit te werken voor een nieuwe staatshervorming’. Lees: de werkgroep zal bekijken of justitie niet voorspoediger kan gedijen op deelstatelijk vlak, onder het motto “wat we zelf doen, doen we beter”.
 
Het komt de Orde van Vlaamse Balies niet toe om politieke keuzes te maken. Maar binnen haar wettelijke opdracht kan de Orde wel bijdragen aan de oordeelsvorming. Minstens kunnen – moeten – wij ons afvragen of een splitsing van justitie haalbaar is en, zo ja, welke punten van zorg er daarbij zijn vanuit het oogpunt van de advocatuur en de rechtzoekende. Het is vervolgens aan de politici om met de vereiste verantwoordelijkheidszin te beoordelen of die defederalisering wenselijk is en, als die beoordeling positief uitvalt, hoe zij realiteit moet worden.
 
Is een defederalisering van justitie haalbaar? Het antwoord is eenvoudig: ja. Dit heeft niets te maken met affectieve of andersoortige gehechtheid aan België of aan Vlaanderen, maar alles met intellectuele eerlijkheid. De VS, Canada, Duitsland, Zwitserland: het is slechts een kleine greep onder de landen die van oudsher grondwettelijk de bevoegdheid tot het organiseren van de rechtsbedeling en de macht om rechtbanken op te richten toegewezen hebben aan de deelstaten. De landen die voor die benadering gekozen hebben, beschikken over een variërend scala aan temperingen en correctiemechanismen, maar het uitgangspunt is er duidelijk. Niet te vergeten: ook de EU is gebaseerd op het beginsel dat de lidstaten hun eigen hoven en rechtbanken hebben.
 
De vervolgvraag, gesteld dat het land de weg van de defederalisering van justitie inslaat, betreft de aandachtspunten die daarbij spelen. Dat zijn er nogal wat. Deze column heeft de niet geringe ambitie zich te houden aan een maximum van anderhalf A4’tje en dus beperk ik mij tot enkele overwegingen.
 
Vooreerst de draagwijdte van een defederalisering: gaat het over de gerechtelijke instellingen of ook over het materiële recht dat gebruikelijk onder justitie ressorteert? Moet er, om precies te zijn, een Vlaams burgerlijk wetboek komen, een Vlaams strafwetboek, en even verder redenerend, een Vlaams wetboek van vennootschappen en verenigingen, een Vlaams wetboek IPR enzovoorts? En een eigen Franstalige en Duitstalige versie van die wetboeken? Of ook Brusselse wetboeken, naast de Waalse?
 
Met andere woorden: loopt de defederalisering langs gewestlijnen of langs communautaire weg, en hoe werkt dat dan in Brussel?
 
Als de splitsing vooral betrekking heeft op de hoven en rechtbanken, dan impliceert dat allicht dat er een Vlaams gerechtelijk wetboek komt, en een Vlaams wetboek van strafprocesrecht. En ook dat de tweedelijnsbijstand, naar het model van de eerstelijnsbijstand, deelstatelijke materie wordt, net zoals de alternatieve methodes voor geschillenbeslechting, zoals de bemiddeling, de collaboratieve onderhandeling en de arbitrage.
 
Voor wat die hoven en rechtbanken betreft: ontdubbelen wij ook de Hoge Raad voor de Justitie? Worden de Vlaamse rechtbanken bevoegd voor het toepassen van federale wetten, of komen er, naar Amerikaans model, ook afzonderlijke federale rechtbanken – een systeem dat voor een land als België bezwaarlijk aan te raden valt?
 
Wie zorgt er voor de eenheid van rechtspraak: blijft er één Hof van Cassatie voor het hele land of wordt dit Hof gesplitst?
 
Op strafrechtelijk vlak: komt het openbaar ministerie onder het gezag van de minister van Justitie van de deelstaat, en oefent die laatste voortaan het positief injunctierecht uit? Wie bepaalt de onschendbaarheden en verhuist het Koninklijk genaderecht naar de deelstaat? Worden het gevangeniswezen en de interneringen deelstaatmateries?
 
Wordt het Grondwettelijk Hof gesplitst? Komen er in het bestuursrecht afzonderlijke, deelstatelijke Raden van State?
 
Specifiek voor Brussel: wat gebeurt er met het Nederlandstalig gerechtelijk arrondissement? Wat blijft er over van het hof van beroep en de Vlaamse rechtbanken in Brussel? Komt er een deelstatelijke vervanging van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken?
 
Last but not least: hoe zit het met de juridische beroepen, dat van advocaat voorop? Zal de advocaat nog steeds mogen pleiten voor alle hoven en rechtbanken van het land, zoals wij verwachten, of zal hij zich moeten gedragen als een soort EU-advocaat in eigen land?
 
Kortom, de aandachtspunten zijn talrijk, de weg naar defederalisering is lang en hachelijk, en de ervaren gidsen zijn schaars. De echte lakmoesproef doet mij teruggrijpen naar waar ik begon: wordt een gesplitste justitie menselijker, sneller en straffer? Het antwoord op die vraag moet stellig “ja” luiden om eraan te beginnen. Die analyse moeten de politici maken en de advocatuur denkt mee.
 
Met genegen groeten,

Peter Callens
Voorzitter Orde van Vlaamse Balies