"Maatschappelijke rituelen zijn nodig om misdaden te verwerken"

In de opiniepers is deze week een controverse ontstaan over de vraag of het Bataclanproces niet beter achter gesloten deuren zou doorgaan. Een bekende confrater verdedigt de stelling, ik parafraseer kort door de bocht, dat de hoofdbeklaagde lak heeft aan onze instellingen en het proces misbruikt voor het spuien van schokkende onzin. Niet alleen verdient dat individu het niet om een forum te krijgen, zo luidt de stelling, maar bovendien wordt het proces internationaal gevolgd – en dus ook door gelijkgestemden die beweren wel een boodschap te hebben aan ‘s mans wartaal. Daarom wordt zo’n proces beter achter gesloten deuren gehouden.

I respectfully disagree en treed graag de redenen bij die Hugo Lamon in zijn jongste, onvolprezen wekelijkse column aangeeft.

De confrater die de kaart van de gesloten deuren trekt, ziet een parallel met het proces tegen de nazi Adolf Eichmann in 1961. Hij suggereert dat ook die zaak beter geen openbare behandeling had kunnen krijgen, omdat de man door de openbaarheid de kans kreeg om zichzelf voor de hele wereld af te schilderen als, zo schrijft de auteur, een slachtoffer van het Duitse juridische systeem.

Met permissie, als er één proces was dat openbaar gehouden moest worden, dan was het wel de zaak Eichmann. De slachtoffers van de nazi-vernietigingsmachine mochten daar aanspraak op maken. De zaak 40/61, naar het gelijknamige, lezenswaardige boek dat Harry Mulisch erover schreef, werd na de holocaust een onontbeerlijk moment van catharsis. De wereld moest kunnen zien, horen en verwerken wat de getuigen kwamen vertellen, wat het openbaar ministerie aanvoerde, hoe de beschuldigde reageerde en wat de rechters ervan maakten.

En ja, Eichmann moest het woord krijgen en zijn verdediging kunnen voeren. Dat er voor die verdediging niet veel zinnigs te zeggen viel, ook dat moest het publiek kunnen zien. Het kwaad moest een gezicht krijgen, met de analyses die erop gevolgd zijn: die van Hannah Ahrendt, die de banaliteit van de genocidebureaucraat beschreef, of die van David Cesarani, die in Eichmanns onverbeterelijke antisemitisme de echte verklaring zag voor zijn optreden. Een dergelijk proces verdroeg en verdraagt geen gesloten deuren. Zo verging het ook de processen van Neurenberg, het proces tegen Klaus Barbie of tegen andere oorlogsmisdadigers.

Afkeer van mogelijke uitspraken van de verdachte vormen, zeker in een beladen zaak met een enorme maatschappelijk relevantie zoals een terrorismeproces, geen reden om het met gesloten deuren te voeren. Ook niet als naderhand blijkt dat de beschuldigde niet verder komt dan gebral van een sadist of een minus habens (of beide tegelijk) of slogans voor een hypothetische achterban.

De waarborgen van artikel 6 EVRM vereisen dat wij spaarzaam omspringen met de redenen om processen niet publiek te laten plaatsvinden. Maar ook los van verdrags- of wetteksten zijn maatschappelijke rituelen noodzakelijk bij de verwerking van verschrikkelijke misdaden.

Geen ritueel, maar wel een onontbeerlijk kenmerk van elke (straf)procedure is de daadwerkelijke mogelijkheid tot bijstand vanwege een advocaat. Dat mocht ons land nogmaals ingepeperd krijgen in het arrest dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitsprak op 14 september 2021 in de zaak van de voormalige Europese ambtenaar Karel Brus. Die laatste legde verklaringen af in het kader van het strafonderzoek tegen hem, zonder dat hij kon genieten van de bijstand van een advocaat. Zijn recht op een eerlijk proces werd flagrant geschonden. De hoop is gewettigd dat zoiets mede dank zij de Salduz-regeling niet meer zal gebeuren, maar de herinnering aan het principe is welgekomen.

Daarnaast neemt het Hof aanstoot aan het nog steeds uitermate actuele gegeven dat de hele procedure 13 jaar geduurd heeft. Zes jaar voor het strafonderzoek, en daarna nog eens bijna vier jaar voor de regeling van de rechtspleging en de vaststelling. Exorbitant, zo zegt het Hof, met een kernachtige overweging: “l’article 6 astreint les Etats contractants à organiser leur système judiciaire de telle sorte que leurs cours et tribunaux puissent remplir chacune de ses exigences, notamment celle du délai raisonnable.” Verplichte lectuur voor onze bewindslieden.

De drie jaar dat de procedure geduurd heeft, eerst voor de feitenrechters en daarna voor het Hof van Cassatie, beoordeelt het Hof niet als overdreven. De complexiteit van de zaak was daarbij een relevant gegeven.

Enigszins pijnlijk dan weer is dat het verzoekschrift neergelegd is bij het Straatsburgse Hof op 14 april 2015. Die procedure heeft dus ook… bijna zesenhalf jaar geduurd tot het arrest dat vorige dinsdag uitgesproken werd. Dat brengt het totale procesverloop op bijna 19 jaar – en ook dat zet aan tot nadenken.

Met genegen groeten,

Peter Callens
Voorzitter Orde van Vlaamse Balies