Verdediging is geen medeplichtigheid

Jaareindes hebben een eigen werking op de menselijke geest. Zij zetten aan tot het afwerpen van lasten. Dingen die wij allang hadden willen regelen, maar nog niet aan toe gekomen waren: nu of nooit zal het moment zijn om die van ons af te zetten. Vóór het einde van het jaar moet dat geregeld zijn. Misschien herkent u de situatie.

Jaareindes verhouden zich tot het aflopende jaar zoals vrijdagen tot aflopende weken. Ik weet niet hoe het met u gesteld is, maar bij mij is 80% van mijn nieuwe zaken binnengelopen op een vrijdag. Bij voorkeur op vrijdagnamiddag. De cliënt wil de last die hij torst bij zijn advocaat leggen vóór het weekend. Dat verlicht het gemoed.

Niet alleen dat van de cliënt, trouwens. Ook dat van de advocaat, want onderzoek wees uit dat de grootste voldoening van de advocaat niet zozeer voortspruit uit de zaken die hij of zij met succes afrondt, maar méér nog uit de toestroom van nieuwe zaken. Het is die toevloed bij uitstek die eigenwaarde geeft aan de advocaat. Nieuwe zaken voeden de perceptie van eigen relevantie. Zij maken gelukkig.

Tenzij er teveel zaken toestromen, natuurlijk, maar dat is dan toch eerder een luxeprobleem. Die zaken kun je weigeren of doorsturen. Jaren geleden, dat durf ik nu toegeven, kreeg ik het bezoek van een potentiële cliënt, die mij kwam uithoren om te zien of ik wel aan de maat was voor zijn zo belangrijke zaak. ‘s Mans arrogantie viel mij zwaar, zodat ik, mits enig uitpersen van mijn hersenen weliswaar, een belangenconflict bedacht waardoor ik hem niet kon bijstaan. De man struinde terug naar zijn plaats van herkomst. Mijn gemoed werd erdoor verlicht. Een verlichting die, wanneer ik er nu aan terugdenk, mij nog steeds blijmoedig stemt. Het beroep van advocaat mag dan een bron van stress zijn, het is ook een bron van vreugde.

Meestal geeft de impuls om tegen het jaareinde nog snel iets te regelen een positieve drive. Maar zoals met alles, mag je ook dat niet veralgemenen. De in de pers ruim bekritiseerde plannen van bepaalde gemeenten om de vaststelling van snelheidsinbreuken te laten verrichten door een privéonderneming die deelt in de opbrengsten van de boetes, is zo’n neiging die beter in toom gehouden wordt. Naar verluidt zetten die ondernemingen eerst aan tot het wegwerken van alle ‘chicanes’. Daarmee bedoelen ze fysieke snelheidsremmers zoals verkeersdrempels. Kwestie van de boeteomzet zo hoog mogelijk op te drijven door het aantal overtredingen aan te zwengelen.

Speculeren op een maximaal aantal snelheidsinbreuken is overheidsdecadentie. Inbreuken aanmoedigen, middels bouwwerken bedoeld voor een snellere doorstroming van het verkeer, is pervers.

In dit laatste cursiefje van het jaar heb ik zelf nog iets wat ik van mij wil afschrijven vóór oudejaarsdag. In 2021 hebben wij met de OVB gehamerd op het beginsel van onafhankelijkheid van de advocaat. De advocaat kun je niet identificeren met zijn of haar cliënt. Verdediging is geen medeplichtigheid. Dat principe kunnen wij niet genoeg herhalen. Vooral strafrechtadvocaten krijgen af te rekenen met een teloorgang van het respect voor die onafhankelijkheid.

Maar niet alleen zij. Wie na zijn baliecarrière – of tussendoor – andere horizonten opzoekt, bijvoorbeeld door in de politiek te gaan, mag ook rekenen op respect voor die onafhankelijkheid. En dat ongeacht de politieke obediëntie waartoe de betrokkene zich rekent.

In de afgelopen dagen kwam de minister van Energie, een gewezen confrater, onder vuur te liggen. Of wij voor kernenergie zijn of ertegen, voor nieuwe gascentrales of ertegen, voor de partij van de minister of ertegen, voor de minister of ertegen, doet hier niet ter zake. Waar het mij om gaat is dat de geloofwaardigheid van de minister in twijfel getrokken werd omdat zij als advocaat bijstand zou verstrekt hebben aan één of meer partijen met belangen in de gasindustrie. Dus, zo luidde het in kort bestek, hoeft het geen verbazing te wekken dat de minister nieuwe gascentrales wil. Is zij niet de vooruitgestoken arm van de gasboeren?

Wat hier gebeurt is naar mijn mening niet fundamenteel anders dan de framing van strafrechtadvocaten op grond van de cliënten die zij verdedigen. Alsof Jacques Vergès een nazisympathisant was toen hij Klaus Barbie verdedigde, en ineens na een bocht van 180° een lakei van de Rode Khmer geworden was toen hij Khieu Samphan bijstond.

Alle vergelijkingen lopen mank, ik weet het wel. Maar toch. Laten wij niet vergeten dat wanneer een advocaat zwartgemaakt wordt, het voor hem of haar schier onmogelijk is om zich te verdedigen. Voor een andere burger is het al moeilijk, maar een advocaat staat met het gezicht tegen de muur: hoe kan hij aantonen dat hij ook andere partijen, met andere belangen, bijgestaan heeft, zonder zijn beroepsgeheim te schenden? Hoe kan hij ingaan op wat hij echt geadviseerd heeft, zonder de grondprincipes van zijn beroep te verloochenen? Waarom zou de juridische verdediging die een advocaat opgebouwd heeft voor een cliënt in een welbepaald dossier, binnen de opdracht die de advocaat heeft in het rechtsbestel, bepalend zijn voor de andere belangen van diezelfde advocaat eens hij een andere functie bekleedt?

Toegegeven, het beoefenen van de kunst der nuance is een harde klus aan de tavernetoog, waar wij afgedaan worden als blind of naïef, of erger nog (en die epitheta laat ik u zelf bedenken). Maar bij dit jaareinde doe ik een oproep om de aard, de beginselen en de noodzaak van ons beroep in ere te houden en te blijven verdedigen. Die nobele last werpen wij, ondanks het nakende jaareinde, niet – nooit – van ons af.

Graag wens ik u warme en deugddoende feestdagen toe.

Met genegen groeten,

Peter Callens
Voorzitter Orde van Vlaamse Balies